Sta je op zondagochtend om 6 uur op, rijd je anderhalf uur in het donker in de regen door een grijs, mistroostig en verlaten Nederland, twijfel je aan je gezonde verstand… Ja dan verwacht je begrip en compassie en niet een complot van lieden die met een valse en verzwaarde dobbelsteen en ingewikkelde en ter plaatse bedachte regels jou opzadelen met een taak waar ze zelf op alle mogelijke manieren onderuit proberen te komen, nl. het schrijven van het ritverslag. Een corvee waar kennelijk niemand veel zin in heeft.
Terwijl het toch zo’n mooie en vermeldenswaardige rit is geweest! Fred en schrijver dezes meldden zich om kwart voor negen bij het paleis van de president aan de Van der Waalslaan te Dieren en vandaar ging het naar de Spar, alwaar een zestal, toch wel blij verrast kijkende Bellosi reeds stonden te wachten. Dat waren, in willekeurige volgorde: Coen, Willem, Ferry, Jan, Arre en Rocus.   Wat Harry vorige week kon, kunnen wij ook, en beter, zo werd dezerzijds direct bij aanvang al stoer betoogd. Dat hebben we geweten. Onder aanvoering van Wiebe gingen de groep met een reusachtig tempo van start en dat tempo werd tot aan de koffiestop volgehouden. Kennelijk moesten wij westerlingen, aan geen behoorlijke natuur en daarmee samenhangende inspanningen gewend, flink met onze neuzen op de Veluwse werkelijkheid gedrukt worden. Alles werd door de Oosterde brigade uit de kast gehaald: zuigende modder, beklimmingen en afdalingen van 45%, diepe ravijnen, gladde wortels en dikke bladerdekken. Dat vereiste bijna bovenmenselijke techniek en kracht.
Waar zijn we geweest? Fred en ik hadden geen idee, we kennen de omgeving niet goed genoeg, het was in elk geval diep in de Gelderse rimboe, het was ons rood, geel en wit en soms zelfs zwart voor de ogen. Achteraf kan ik, geholpen door Coen’s digitale opnametechniek, zeggen dat voorbij flitsten: (het klinkt even angstaanjagend als het was) de Dierensche Hoogte, Dammensberg, Sprengen, Coldenhove, De Molenbeek, Groenouwe, Steilhul, Ternat, Droefakkers, Grafheuvel (!), Loenerveld, Schansenberg, Klein Zwitserland, Montana, de A50 over, en (hijg) daar was, na vele lokkende uitspanningen die men links liet liggen, opeens een keurig Hotel, waar het haardvuur knapperde, want: voor onze gasten willen we alleen het allerbeste. Koffie tussen de ingelijste shirts van het Nederlands elftal, nog vol zweetplekken, dit was Golden Tulip Victoria. De serveersters zijn iets steviger gebouwd dan bij ons in het Westen, maar de ontvangst was hartelijk, de koffie en appeltaart prima. 30 km zitten erop, nog 15 te gaan, Woeste Hoeve, Mullehul, Jannuskamp, en dan een prachtige singletrack hoog over de Zilvense Heide, schitterend uitzicht, zelfs op deze grijze en sombere dag is het hier nog mooi. Dan komen we in de gemeente Brummen, Selskamp, Voorste Schaddeveld zo heet het hier, Jutberg, ten noorden van de Geitenberg, en opeens zijn we weer in de bebouwde kom, in Dieren. Fred en ik volgen Wiebe, op weg naar Pia die ons verblijdt met warme broodjes en  soep. Na een gezellige lunch vertrekken Fred en ik rond 14.00 uur richting Haarlem.
Na een half uur gaat de telefoon. Wiebe. We kijken elkaar bezorgd aan. Zijn we iets vergeten? Moeten we terug? Nee hoor, zegt Wiebe, alleen, even ter herinnering, die dobbelsteen, jij weet toch nog wel, je gooide tweemaal achter elkaar zes, dus…
Op 23 mei gaan we Bello 100 vieren. Iemand moet dan de bus rijden. Niemand wil. Idee van Wiebe: dan loten we toch? Hij heeft nog een dobbelsteen…
 
Rijck 8/12/13
2025460cookie-check